Ouwe Verrekes

6. Over Rien1

Oneliners… oftewel enkele passages als voorproefje.


Waarom wordt er tegenwoordig niet meer door de boeren geslacht? En waarom wordt er al helemaal niet meer zelf aan huis geslacht? Door de komst van de vriezer en de koelkast is het thuisslachten overbodig geworden. Ook heeft de overheid met zijn wetten en wetjes de slachters en de loonslagers gedwongen om ermee te stoppen. Onderstaande oneliners geven een korte impressie van de voordracht ‘Ouwe Vèrrekes’ van Rien Vermaire, waarin hij herinneringen aan de ‘goeie ouwe tèèd’ van huisslachtingen ophaalt.

Het varken werd dus bij den beer gedaan en na een paar maanden kreeg dat varken biggen… Nou kom ik zelf uit een groot huishouwen en ik weet nog goed dat toen ik klèèn was, ik ene keer aan ons moeder heb gevragen: “Moeder, wat is dat nou seks?”. “Ach jongen”, zeei ons moeder toen, “voor dieen onzin heb ik met twaalf kènder geen tijd gehad”…

En dan op een gegeven moment zeei onze pa “Ut zal nie lang meer duren of ik moak mèn vèrreken vet”. Daar bedoelde hij mee: onze Knor mot worren geslacht.

Onze pa stak een vlijmscherp mes in de keel van onze Knor. Die bloedde dan ‘as un vèrreke’. Het bloed werd opgevangen in een rode geëmailleerde emmer die ons moeder tussen dur benen en durre schort hield.

Jullie kennen allemaal het spreekwoord ‘ze kunnen allemaal mijn kont kussen’… Nou dat gebeurde onder het slachten. Niet dat de kont van de slager werd gekust, nee de kont van het dode varken viel die eer te beurt.

De keurmeester kreeg vruuger, als hij het varken had goedgekeurd, ook een borreltje. Er waren keurmeesters, die van thuis een lege fles meenamen en ieder aangeboden borreltje accepteerden en in de lege fles gooiden. Die kwam dan nuchter thuis, maar wel met een fles vol sterke drank…

Als de keurmister het vèrreke had goedgekeurd werd het op de ladder in de bijkeuken neergezet om enen nacht te bestèèrven. Dikkuls werd er dan een wit laken over heen gehangen. Mijn zus bijvoorbeeld durfde dan ‘s nachts niet langs dè vèrreke te lòòpen om buiten naar de plonsplee te goan.

Het hart, de longen, de kop, de strot, de tong, de milt. As verzamelnoam hadden die vaak ‘de Loos’. Ze werden met de kinnebak gekookt om er zult oftewel haksel van te maken.

Het vet werd kort gesneden of door een worstmachientje gedraaid waarna het werd gesmolten. Zo ontstond vet mee koaikes.

Soms werd er stroop door het vet geroerd en als ‘stroopvet’ op de boterham gesmeerd. De kanen of ‘kaoikes’ gingen door de stamppot.

Moeder de vrouw was dus nog een hele week bezig met allerlei dingen zoals vet smelten en draaien, en het maken van balkenbrij, bloedworst maar ook ‘dreuge’ worst.

Het water werd gekookt in dezelfde ketels als waarin ons moeder zondag middags de was kookte als wij met onze vader naar het voetballen waren. Van die grote ketels met van die grote witte lakens erin en een zakske blauwsel erbij.

Het lekkerste van ut vèrreke vond ik vruuger altijd spek, lekker gebakken spek. Ons moeder legde dan een paar dikke schijven in de koekenpan en met een paar sneden brood  met stroopvet konden wij er weer tegen. Onze vader zeei dan tegen ons moeder als hij ons zo zag schransen: “Marie, die zullen zult geen zand meer schijten!”

Hoe ie het toch altijd wist, ik weet het niet, maar als onze pa in de keuken aan het afkappen was dan kwam de pastoor achterom en die wist te vertellen dat ik altijd zo goed oppaste in de Catechismusles, dat ik goed kon leren ik kon misschien zelfs misdienaar worden en dat ik maar eens een schoon prentje moest komen halen op de pastorie. Waarop ons moeder tegen onze pa zeei: “Piet dat kon wel eens enen crèp kosten”. “Dat denk ik niet”, zeei dun ouwen Piet, “Hij kan nog eerder creperen”…

Enthousiaste reacties over de hele voordracht leest u hier!